Zoutwinning m.b.v. gradeerwerken
De opgepompte pekel uit waterige oplossingen die worden ingedampt, natuurlijk
of niet natuurlijk, heeft over het algemeen slechts een gering zoutgehalte
en door verdamping in de buitenlucht tracht men het NaCI-gehalte op
minstens 15% te brengen voordat het in de ziedpannen wordt gedaan
(om het zout te zuiveren)
Al in de middeleeuwen pompte men pekelwater op uit de grond met water-
of mankracht (tredmolens) en ziel met zout in open kookpannen uitkristalliseren.
Ook toen was het de kunst om het product zo zuiver mogelijk te krijgen.
Met probeerde dit door toevoegingen van bier, hars, of bloed aan het
primitieve chemische proces.
Er ontstond hierdoor een schuimlaag of een bezinksel dat gemakkelijk
kon worden verwijderd.
Gebrek
aan pekel met een hoog zoutgehalte leidde tot hoge brandstofkosten.
Ook toen al dacht men aan energiebesparende maatregelen.
De eigenaren van de zoutziederijen (zout werd voor 1886 nog massaal
ingevoerd en gezuiverd in ziederijen) zochten naar manieren om het zoutgehalte
te verhogen.
Omstreeks
1570 ontstonden de eerste zogenaamde gradeerhuizen, waarin men opgepompt
zouthoudend water langs takkenbossen laat druppelen, met als voornaamste
doel het zoutgehalte te verhogen voor men tot indampen overging.
Het eigenlijke zieden geschiedde aanvankelijk in aardewerk, later in
loden en vervolgens in ijzeren pannen.
De afmeting van deze pannen werd steeds groter wat uiteindelijk consequenties
had voor de brandstof. Men schakelde over van hout en stro op bruin-
en steenkool en het zieden werd een industrieel proces.
100 jaar later kwam de zoutwinning die op natuurlijke verdamping aangewezen
was, al in economische moeilijkheden, omdat het mogelijk werd zoutlagen
met mijnbouw te ontginnen.
In Bad Dürrenberg en Halle worden de resten van dit industriële
erfgoed bewaard en zijn ze nog gedeeltelijk in bedrijf.
Gradeerhuizen
De Gradierwerken van Bad Dürrenberg hebben een lengte van bijna
twee kilometer en omzomen het stadje als een vestingmuur, compleet met
stadspoort.
De wand bestaat uit een houten geraamte waarin dichte takkenbossen zijn
gestoken. De opgepompte pekel wordt boven in de constructie door goten
geleid, druppelt naar beneden en wordt door spitse twijgen zeer fijn
verdeeld.
De geconcentreerde zoutoplossing wordt onderin in goten naar pekelbakken
of kelders gevoerd. Wind speelt bij dit proces een belangrijke rol.
In Bad Dürrenberg wordt de pekel door windmolens rondgepompt. Wind
blaast door de takkenbossen waar zich op de doornen naast zout ook moeilijk
oplosbare mineralen afzetten zoals: carbonaten, sulfaten en ijzeroxiden.
Voor de vulling van deze wanden werd aanvankelijk stro gebruikt, thans
gebruikt men doomachtige struiken zoals de sleedoom die elastisch en
fijn vertakt is. Met een heggenschaar worden ze geschoren zodat er een
vlak geheel ontstaat. De wand verjongt zich naar boven met 6-8 cm per
meter. Het gewicht van deze takkenbossen bedraagt 90-100 kg/m3. De vroegere
gradeerwerken zagen er uit als echte huizen met een kap, maar zonder
wanden. De ruimte in de kapconstructie wordt hierbij ook benut om een
gradeerwand te plaatsen. 0m de kosten te drukken verdwenen later deze
kappen en vormde de verdeelgoot tevens de afdekking.
Terug